Uiterlijke gelijkenis gezin Van der Steen

Susanna Frederika van der Steen-Stouten

Al jaren hangt er een foto van mijn betovergrootmoeder Susanna Frederika van der Steen-Stouten (1824 – 1913) aan de muur. Die moet ruim een eeuw geleden zijn gemaakt. Het is zo’n oude afbeelding in sepia tinten met een zilverkleurige waas. Waarschijnlijk van zilvernitraat. De lijst is diep, van donkerbruin hout en heeft goudkleurige binnenrand. Uit die periode zijn weinig familiefoto’s bewaard. Terwijl het toch leuk is om te weten of gezinsleden een beetje op elkaar leken.

Suzanna is op de foto al duidelijk op leeftijd. (Klik eventueel op de foto voor een vergroting.) Dat zie je aan haar gezicht en de plukjes grijs haar vanonder haar donkere muts. Ze draagt hoog gesloten donkere kleding van glanzende stof en zit aan tafel met een dik boek. Een bijbel wellicht. Haar handen zijn gerimpeld, die hebben heel wat werk verricht. Over haar leesbrilletje heen kijkt ze met vrij grote ogen uit het raam.

Jacobus van der Steen

In haar jonge jaren werkt Susanna Frederika Stouten als naaister. Op 28 november 1849 trouwt ze met timmerman Jan Willem van der Steen (1824 – 1899). Ze zullen hun hele leven in Leiden doorbrengen en zes kinderen krijgen. Zoon Jacobus is mijn overgrootvader. Hij is precies zeven jaar na hun huwelijksdag geboren in 1856. Na vier jongens volgt een meisje dat vroeg overlijdt. Als laatste komt dochter Maria Catharina van der Steen op 3 juli 1865 ter wereld. Maria trouwt in 1889 met de behanger Pieter Marinus Hendrikus Nolet en verhuist later naar Delft.

Echtpaar Pieter Nolet – Maria Catharina van der Steen

 

 

Van zowel zoon Jacobus als dochter Maria Catharina zijn foto’s bewaard gebleven. Jacobus is al een wat oudere man wanneer zijn portret wordt gemaakt. Terwijl Maria Catharina als jong volwassen vrouw met haar man op de foto staat. Eenmaal bij elkaar wordt de gelijkenis tussen de moeder, de zoon en de dochter zichtbaar. Kijk maar naar hun ogen en naar de gezichtsvorm van broer en zus.

Met dank aan Ruud Nolet, die de foto van zijn grootouders Nolet-Van der Steen welwillend ter beschikking heeft gesteld.

Advertenties

Een kast uit het meubelmagazijn van Willem Frederik Poptie

Wie had dat gedacht: onlangs dook er een nog onbekend meubelstuk op van de familie Poptie. Al jaren bezit ik enkele antieke meubels. Die komen uit de werkplaats van mijn overgrootvader Jacobus van der Steen (1856 – 1942). Hij was een Leidse meubelmaker die biljarttafels en andere houten meubels fabriceerde. Jacobus trouwde met Petronella ‘Pietje’ Susanna Poptie (1858 – 1944). Haar jongere broer Nicolaas Frans Gerrit Poptie (1862 – 1953) was ook meubelmaker in Leiden.

Nicolaas heeft een meubelzaak op de Haarlemmerstraat. Deze blijft wel drie generaties lang in de familie. Als oudste zoon neemt Willem Frederik Poptie (1886 – 1955) de winkel of ‘het meubelmagazijn’ over. Het leuke is dat uit zijn tijd nu een kast is opgedoken. Die is bovendien te koop!

Martijn Schreiner is de huidige eigenaar. Hij kocht deze fraaie kast met spiegel rond 1990 van een kledingwinkeltje in Rijswijk. Zelfs het originele plaatje van meubelzaak Poptie zit er nog op. Martijn bracht de kast naar zijn woning in de Melemstraat in Voorburg. Vervolgens verhuisde dit meubel met het gezin mee naar de Leidse Genestetstraat. Nota bene de stad waar het ooit splinternieuw stond te pronken.

In maart 2006 verhuisde het meubel opnieuw en nu staat het in Voorschoten. Daar deed het jarenlang dienst als kledingkast voor Martijn’s dochter. Hij schrijft: ‘Door veranderingen in ons huis is het meubel eigenlijk nu overbodig geworden.’ Mocht iemand interesse hebben in een heus familiestuk, neem dan snel contact op via e-mail martijn@schreiner.nu. Het zou toch mooi zijn als dit meubel in de familie blijft.

(Klik eventueel op de foto’s voor een vergroting.)

Lees meer over de geschiedenis van de meubelzaak in Brand legt Leidse meubelzaak Poptie in as.

Het leven van een Leidse arbeider in 1890 bij Gebrs Van Wijk en Co.

In 1890 houdt een Staatscommissie een enquête onder werknemers in Leiden over hun zware arbeids- en leefomstandigheden. Bij hoge uitzondering komen fabrieksarbeiders hierdoor zelf aan het woord. Waaronder medewerkers van de dekenfabriek van de Gebroeders Van Wijk & Co. (Deze gebroeders zijn nakomelingen van voorvader Dirk van Wijk.) Het verslag bevat zeer interessante details over werktijden en beloning. Maar we lezen ook over het eenvoudige leven van de mensen thuis. Zij vertellen zelfs wat zij aten en hoe zij hun vrije tijd doorbrachten.

In het document Generatie 06 tm 08 Van Wijk vindt u vanaf pagina 59 meerdere interviews in vraag- en antwoordstijl. De 53-jarige dekenwerker Herman Stol geeft ons hieronder alvast een mooi inkijkje in zijn leven. Hij verdient per week ƒ 7. Ter vergelijking: de fabriekseigenaren geven als jaarinkomens over 1890 ƒ 5.500 tot ƒ 10.500 op aan de Belastingdienst.

Ingekort verhoor van Herman Stol, oud 53 jaar, dekenwerker bij de Gebrs. Van Wijk & Co., te Leiden.

  • Sedert hoelang werkt gij bij de Gebrs. Van Wijk? Sinds 30 jaar.
  • Waar hebt gij vroeger gewerkt? Bij Van Heukelom.
  • Op welken leeftijd zijt gij gaan werken? Op mijn zevende jaar.
  • Zijt gij nooit op school geweest? Jawel, tot mijn zevende jaar, later ben ik nog bij een meester aan huis geweest, maar ik heb geen begrip kunnen krijgen van lezen en schrijven.
  • Kunt gij den Bijbel dan niet lezen? Neen.
  • Hebt gij kinderen? Ja, zeven.
  • Zijn er daaronder, die werken? Een is getrouwd, een is er in Indië en dan heb ik nog vijf meisjes thuis, waarvan er twee werken op de fabriek van Krantz en twee op de weeverij van de Katoenmaatschappij. Een heeft er gediend.
  • Op welken leeftijd zijn die meisjes gaan werken? Onmiddellijk na hun twaalfde jaar.
  • Zijn zij ook de openbare school geweest? Neen op de Christelijke school.
  • Hebben zij een getuigschrift gekregen, dat zij de school geheel doorloopen hadden? Niet allen.
  • Vond gij het niet jammer, ze van de school te moeten nemen, voor zij die geheel doorloopen hadden? Ja, maar wanneer men een groot huisgezin heeft, tracht men de kinderen zoo spoedig mogelijk iets te laten verdienen.
  • Kunnen die kinderen allen goed lezen? Ja.
  • Hoe lang wordt er bij de heeren Van Wijk gewerkt? Ik werk van 5 ½ ’s morgens tot 8 uur ’s avonds, behalve de rusttijden.
  • Waarom begint gij vroeger en gaat gij later weg, dan overigens in die fabriek geschiedt? Omdat de anderen werken, zoolang de fabriek loopt, dat is van zessen tot zevenen.
  • Hoe lang werkt gij in het geheel na aftrek van de rusttijden? 12 ½ uur.
  • Wat verdient gij? Door de bank ƒ 7,00.
  • Wat is uw werk? Wij staan dekens te strijken, zoolang tot het stuk klaar is, dan doen wij weer iets anders, zooals spoelen, zwavelen, drogen, enz.
  • Waar gebeurt het spoelen? In de fabriek. Het geschiedt in bakken, die op den grond staan, waardoor altijd versch water gaat en het vuile water van onder wegloopt. Vroeger gebeurde het meest in de Heerengracht.
  • Geschiedde dat vroeger daar ook ’s winters, wanneer het vroor? Zeker, die zaak is een boel verbeterd.
  • Waarom zegt ge zo met nadruk die zaak? Er zijn allerlei zaken natuurlijk, zoo droogden wij vroeger buiten in de open lucht aan de ramen.
  • Is het binnenshuis drogen dan geene verbetering. Voor het gestel is het frisscher in de open lucht. Hebt ge nu last van de warmte en de zwavellucht. Neen, dat niet.
  • Zijt ge op, als ge 12 ½ uur gewerkt hebt? Ik heb ten minste het mijne.
  • Is het strijken een erg zwaar werk? Het is een stevig werk, men behoeft er niet slap voor te zijn.
  • Wordt er ook nog overgewerkt? Neen, dat mag soms een half uur zijn, maar langer nooit.
  • Wordt in andere fabrieken aan hetzelfde werk korter gearbeid? Wel langer, bij den heer Scheltema zelfs tot 12 uur, namelijk de strijkers.
  • En bij de firma Zaalberg? Daar eindigt men altijd vroeger.
  • Geschied uw werk alleen door volwassenen? Ja.
  • Hebt gij altijd hetzelfde werk gedaan? Toen ik aan de fabriek kwam uit den militairen dienst, ben ik in de wasscherij geplaatst, een stevig werk, daarna ben ik aan het wolkammen gezet, ook zwaar werk, dat niet vol te houden was. Toen er machines kwamen werden alle menschen die dat werk deden, ontslagen. Ik echter werd aan het wolwaschen gesteld, en nu strijk ik dekens sedert 18 à 19 jaar.
  • Was uw vroeger werk lichter? Dat was al zoo hetzelfde.
  • Dezelfde werktijd? Ja maar ik verdiende minder.
  • Hoeveel verdienen de wasschers? Dat weet ik niet. Ik verdien in de regel minder, maar ik heb verval van de oude dekens. In den winter niet, maar des zomers gedurende 8 à 10 weken bedraagt het verval ƒ 1 à ƒ 1,25 per week.
  • Dat komt dus bij uw loon? Ja.
  • Staat gij onder een baas? Ja, onder twee bazen.
  • Bestaat er bij u een boetenstelsel? Neen.
  • Ook niet voor slecht werk? Als er werk verknoeid wordt, dan komt dat voor onze eigen rekening. Als een deken niet goed afgemaakt of gescheurd is, dan wordt die ons gelaten tegen inkoopsprijs, en dat bedrag wordt wekelijks ingehouden. Vroeger, toen alles handwerk was, gebeurde dat meer dan thans, nu alles machinaal gaat, en het weefsel veel gelijkmatiger is.
  • Aan wie zet gij dan zulke dekens af? Aan kennissen, het gebeurt ook dikwijls, dat iemand zegt, denk eens om mij als gij een deken hebt waar wat aan mankeert.
  • Gij kunt dus zeker goedkooper verkoopen dan de winkelier? Ja.
  • Verdient gij aan zoo’n deken wel eens wat? Neen, wij maken er in den regel hetzelvde voor wat mijnheer er voor krijgt, doch het gebeurt wel, dat de kooper er een dubbeltje op toegeeft.
  • Als er eens iets is, waarin gij meent verongelijkt te zijn door den baas, kunt gij dan den directeur er over spreken? Jawel wanneer het noodig is, kunnen wij mijnheer altijd spreken. Het kantoor is vlak bij onze werkkamer.
  • Wat doet gij s avonds nog, als gij thuis komt om 8 ¼ uur?
  • Zoowat thuis zitten en met mijne kinderen praten over een een ander. […]
  • Een van uwe meisjes is uit dienen gegaan. Zoudt gij liever gezien hebben dat ook uwe andere meisjes in een dienst waren gegaan, in plaats van op de fabriek te werken? Ja, zeker.
  • En waarom? Omdat de dienstmeisjes er gezonder en beter uitzien dan de fabrieksmeisjes. Hetzelfde geldt voor de jongens ten opzichte van de ambachten. Ik had liever gezien, dat mijne jongens ambachtslieden waren geworden, maar wanneer men niet veel verdient, dan heeft men natuurlijk liever, dat de kinderen ƒ 2,50 op de fabriek verdienen, dan ƒ 0,75 op het ambacht.
  • De reden dus, waarom uwe kinderen op de fabriek werken is alleen de geldquaestie? Alleen de nood.

Oma heet eigenlijk niet Kortekaas

Cornelia Kortekaas

Anno 2018 kijken weinig mensen op van ongehuwd moederschap. Nog tot vrij recent vond men dit echter onwenselijk, al kwam het natuurlijk voor. Ook in mijn genealogie. Mijn oma aan vaderskant, Cornelia Kortekaas (1888-1988), draagt de familienaam van een voormoeder. Haar overgrootmoeder Dirkje Kortekaas bleef namelijk ongehuwd, maar kreeg wel drie kinderen. Zoon Pieter kwam in juli 1823 ter wereld en tien jaar later volgde een tweeling: Cornelis en Petronella. Wie de vader (of vaders) van de kleintjes was, is nooit opgehelderd.

De aangiften bij de burgerlijke stand bieden geen houvast. Het eerste kind wordt geboren als Dirkje 24 jaar is en van beroep ‘dienstbaar’. De moeder van Dirkje (zelf weduwe) doet aangifte nadat Dirkje bij haar thuis in de Molenstraat te Noordwijk-Binnen is bevallen. Van de tien jaar later geboren tweeling overlijdt het jongetje al na een maand. En het meisje laat geen spoor meer na. Deze kinderen werden alle drie in de maand juli geboren. Had Dirkje misschien een vrijer die steeds rond november in Noordwijk kwam?

In vroegere tijden stond er regelmatig een zwangere bruid voor het altaar. Er ontstond pas een probleem als een man de ‘jongedochter’ liet zitten. Dan kon zij via juridische weg proberen hem tot erkenning en vooral tot onderhoud van het kind te dwingen. Want de moeder zag haar kans op een huwelijk snel slinken en liep een groot risico op armoede. In Dirkje’s familie was het evenmin vetpot. Haar jong overleden vader had slechts los-vast werk als daggelder. Zelf leefde ze tijdens een economisch slechte periode.  En ook haar zoon Pieter kwam niet verder dan arbeider of boerenknecht.

Naar welke stamboom je ook kijkt, het is voor een deel gebaseerd op drijfzand. Volgens de orthodox-joodse leer is een kind alleen joods als zijn moeder joods is. Deze redenatie is logisch. Want doorgaans mag je aannemen dat de in akten vermelde moeder echt de moeder is. Maar de vader … Daarom verdient de vrouwelijke lijn in een genealogie minstens evenveel aandacht.

Foto: Schilderij van Jan Steen, Het geboortefeest, 1664. De man in de deuropening maakt het hoorndragergebaar. Volgens hem is de officiële vader daarom niet de werkelijke vader van het kind.

‘Toverheks, betover me nu’

Onlangs troffen akkerbouwers in Maasbommel spijkers aan in hun maïsstengels. Gelukkig werden die tijdig ontdekt. Als de maïs door de hakselaar gaat, wordt het metaal versnipperd en eten koeien het op. Die gaan eraan dood. Je vraagt je af waarom iemand zoiets doet. Op oude schilderijen lijkt het platteland van vroeger een idyllische plek. Toch moest je er geen ruzie krijgen. Rond 1840 werd weduwe Pieternella Berendonk geterroriseerd in pittoresk Warmond. Soms wist zij evenmin wie de daders waren geweest.

Pieternella is de tweede dochter van mijn voorouders Jan Willemse Berendonk en Catharina Godefruin Smits. Op 10 november 1769 werd ze in Sassenheim gedoopt. Ze trouwt op 28 april 1793 in de ‘hoge en vrije heerlijkheid Warmond’ met Leendert van Noort. Het is dan in Holland een woelige tijd. Er is een revolutie gaande; de patriotten en orangisten bevechten elkaar. Twee jaar later, op 19 januari 1795, wordt de Bataafse Republiek uitgeroepen.

In april van dat jaar legt Pieternella een belastende verklaring af over Cornelis van der Werff. De aangeklaagde heeft met een oranje lintje rondgelopen, wat verboden is. Cornelis zou hebben gezegd: ‘het zel nou wel veranderen, heb je de scheepen niet door de Leede zien vaaren met Oranje Vlaggen? Waar op depe. [Pieternella] antwoorde, dat ik wel wat anders te doen had dan na de scheepen te zien, waarop hij van der Werf mij weederom zeide: dat het wel waar was, want dat de Dominé en Harmen de Mof, het ook gezien hadden, waar op depe. weeder antwoordde: dat het mij niet scheelen konde wie het Land regeerde, als ’t maar wel geregeerd wierd, en waarop hij in ’t heengaan weeder antwoorde dat het hem wel scheelen konde, dat het wel vrijheid, gelijkheid en broederschap was, maar om de donder niet goed koop was.’

Mogelijk heeft dit kwaad bloed gezet. En met het vroegtijdig overlijden van haar man en verlies van inkomsten valt haar bescherming weg. Het pesten kan beginnen. Tussen 1818 en 1844 bespotten en sarren buurtge­no­ten Pieternella herhaaldelijk. Eerst ontstaat er ruzie over een geleend, maar niet teruggegeven flesje Haarlemmerolie. Dit wordt uitgevochten voor het dorpsbestuur. Vervolgens is er een kwestie waarbij Pieternella ‘voor kerk- en armendief, afzetster en toverheks’ wordt uitgeschol­den.

In juli 1842 stapt Pieternella, 73 jaar oud, naar de burgemeester van Warmond. Vermoedelijk is ze dan tamelijk arm. Zij verklaart dat achter haar woning ‘staande aan de Buurstraat, tegenover de Lokhorstlaan in het Westeinde van Warmond gelegen – tuin, welke strekt tot aan de Lede, uit den grond gehaald en gestolen zijn eenige aardappelen, welke aldaar geplant stonden en naar gisfing eene hoeveelheid van drie mudden bevatten, hebbende men waarschijnlijk om de grootste te vinden, den geheelen beplantte hoek doorgeloopen. Zijnde zij niet in staat eenige bijzonderheden of vermoeden omtrent het vorenstaande op te geven.’

Bovendien valt in oktober 1844 een winkelier haar aan vanwege achterstallige betaling van circa 25 cent. Pieternella verklaart voor de burgemeester van Warmond dat: ‘is komen inloopen de vrouw van den winkelier Pieter Schuin, […], welke vrouw Schuin haar declarante [Pieternella] toesprak met de woorden “bliksemslag: wanneer betaal je me” (bedoe­lende daarmede de voldoening van een schuld van iets meer of min dan vijf en twintig cents), dat zij declarante daarop te kennen gaf dat zij op het oogenblik geen geld had en vrouw Schuin toen haar man is gaan halen welke Pieter Schuin binnen gekomen zijnde, haar declarante drie slagen op het hoofd heeft gegeven, en den strooijen hoed welke zij op het hoofd had heeft afgenomen die eerst op zijn hoofd gezet en gezegd “toverheks, betover me nu” en vervolgens die hoed in zijn tuin langs den Kerkdam, ten spot der kerkgangers in de boonstaken heeft opgehangen, hebbende zij dezelve tot heden niet terug bekomen.’

Mogelijk vertrekt ze om die reden naar Oegstgeest. Daar woont haar zoon. Vier jaar later overlijdt Pieternella Berendonk in die plaats op 82-jarige leeftijd. Ze was toen al ruim dertig jaar weduwe.

Nee, het leven op het platteland gaat niet over rozen.

PS: Lees het hele verhaal over het geslacht Berendonk bij de familietak Bredewold.

Dankzij Piet Knijnenburg gestuit op goudader

Op 15 juni 2017 stond er een necrologie over oud-TT-coureur Piet Knijnenburg in de Volkskrant. Ik zat meteen op het puntje van mijn stoel. Want wij hadden toch via mijn overgrootmoeder Clasina Knijnenburg motorrijders in de familie? Vroeger reed er weleens een op zijn motor vanuit Wassenaar naar opa en oma Van Veen op de Vrouwenweg, zo werd verteld. Zou dat de overleden man uit het krantenbericht zijn?

Deze Piet Knijnenburg was in 1918 geboren en kwam net als Clasina uit Wassenaar. Op internet stonden meer berichten over zijn dood. Ik nam contact op met journalisten en contactpersonen. Al snel bood bijna-naamgenoot Peter Knijnenburg uit Wassenaar een aanknopingspunt. Hij kon melden wie de ouders van deze coureur waren: Cornelis Josephus Knijnenburg, geboren op 22-03-1876 in Wassenaar, en Clasina Overdevest. Dit paar kreeg tien kinderen, waarvan Piet de jongste was.

Met de namen van deze ouders ging de zoektocht op internet door. Want ik kon Cornelis Jozef Knijnenburg niet direct thuisbrengen. Eigenlijk was ik nog nauwelijks aan de familie Knijnenburg toegekomen. En zo vaak kom ik niet meer in Wassenaar. Hoe mooi zou het zijn om een complete stamboom te vinden, verzuchtte ik menigmaal.

Welnu, zelden ben ik zo goed op mijn wenken bediend. Want Cornelis Jozef Knijnenburg staat keurig vermeld in de stamboom van familie De Kleine. Die leidt regelrecht naar onze gezamenlijke voorouders. Want de bed-bed-overgrootouders van motorcoureur Piet zijn Jacob Dircksz. Konijnenburg (1735-1810) en Crijntje Willemsdr. Beijersbergen van Henegouwen (1738-1812). En daar stamt ook overgrootmoeder Clasina van af. Hoewel de lijn zo ver terug gaat, hebben nakomelingen kennelijk al die tijd contact gehouden.

De familie Knijnenburg en de aangetrouwde geslachten bevolken al eeuwenlang het platteland rond Den Haag. Ze waren vroeger vaak boer en sterk verbonden met het land. Wassenaar is hun hoofdgemeente. Maar ook andere dorpen zijn hen vertrouwd. Zoals: Voorschoten, Veur, Voorburg, Monster, Loosduinen, Wateringen, Eikenduinen en Haagambacht. We kunnen hun sporen zelfs nu nog vinden in het Haagse Zuiderpark.

Onlangs reed ik met bus 45 van Leiden naar Voorburg. Onderweg zag ik al drie nieuw ontdekte familienamen: Hoogwerf, Dobbe en Roosenburch. Over enige tijd verschijnt hier een uitvoerige aanvulling over deze verwanten. Maar de belangrijkste links naar het verhaal over Piet Knijnenburg en onze gezamenlijke voorouders wil ik nu alvast met u delen.

Brand legt Leidse meubelzaak Poptie in as

Brand. Het is nog altijd een van de ergste nachtmerries die ons kan overkomen. Kijk naar de rampflat in Londen; zie de branden in Portugal. Onze voorouders liepen een groter risico op ongelukken dan wij. In huizen waren vloeren en daken van hout en iedereen werkte met open vuur. Er bestond wel een brandweer, maar soms moest men daar lang op wachten. Ondertussen brandde een pand of werkplaats razendsnel af.

Nicolaas Frans Gerrit Poptie (1862 – 1953) heeft dat geweten. Samen met zijn compagnon Hartwijk heeft hij een magazijn en meubelwerkplaats op de hoek van de Hooglandse Kerksteeg in Leiden. Tot tweemaal toe ontstaat daar brand. Eerst in 1901. Die avond woedt er een hevige storm wanneer het mis gaat op zolder. Gelukkig is het vuur snel geblust en hebben ze de boedel goed verzekerd. Ze zitten vooral met waterschade.

In de zomer van 1912 echter, loopt het finaal uit de hand. Er valt een vonk uit de haard op de krullen waar vlakbij hout ligt te drogen. De aanwezige mannen werpen er gauw emmers water op. Maar binnen de kortste keren is er geen redden meer aan. Ondertussen staan de weesjongens te popelen om met de spuit uit te rukken. Zij wonen nota bene in het weeshuis om de hoek en kunnen het vuur zien. Maar ja, de commandant der brandweer is er niet. Ze moeten op hem wachten. Daar staan ze dan, terwijl mensen in paniek om hulp roepen en de adrenaline door hun lijfjes giert.

Een nieuwsbericht in het Leidsch Dagblad van 3 juli 1912 beschrijft goed wat er gebeurt.

‘Groote brand te Leiden.

Hedenmorgen ongeveer halfacht ontstond er een felle uitslaande brand in het perceel op den hoek van de Hooglandsche Kerksteeg, waarin de heeren Poptie en Hartwijk hun magazijn en werkplaats van meubelen hebben. De brand ontstond doordat een vonk van den haard, waarin vuur brandde voor het drogen van het hout, in de krullen, die in de werkplaats lagen, viel.

De menschen, die er aan het werk waren, deden hun best den brand in den aanvang te stuiten, maar daar was geen denken aan. De vlammen vonden in de aanwezige meubelen en het droge hout zooveel voedsel dat eenige emmers water niets hielpen. Fluks werd iemand naar het Weeshuis op de Hooglandsche Kerkgracht gezonden om de spuit, maar, hoewel de weesjongens van ongeduld popelden, zij moesten wachten op de order, door den commandant der brandweer te geven. Zoo kwam het, dat de spuit met bediening een tien minuten klaar stond zonder water te kunnen geven.

De politie was intusschen met den slangenwagen komen aanrijden en bijgestaan door eenige burgers, gaf deze water, maar intusschen sloegen de vlammen reeds uit alle ramen en lekten tegen de muren van de belendende perceelen en aan die van de overzijde van de nauwe steeg en roosterden deuren en ramen, zoodat de ruiten sprongen.

Toen de brandweer ongeveer tien à vijf minuten vóór achten aanrukte, was het te voorzien, dat er van het perceel zelf en van wat er in was, niets meer behouden kon blijven. Krachtigen waterstralen vielen in de vlammen en wisten deze eindelijk toch te dooven.

De groentenwinkel naastaan in de steeg, de meubelzaak van den heer Raar, het aardappelen­zaakje en het sigarenwinkeltje aan de overzijde, het daarnaast staande pakhuis met boven­woning en zelfs de kosterswoning bij de Hooglandsche Kerk kregen vuur- en waterschade. Tegen negen ure had men echter den brand geheel onder de knie.

De zwart geroosterde hooge muren van het uitgebrande perceel nu niet meer vastgehouden door houten balken, werden gevaarlijk. Gelukkig wist de politie het terrein, dat zich daar trouwens uitnemend toe leende, op uitstekende wijze af te sluiten en de talrijke menigte op een afstand te houden waarna de muren werden neergehaald, wat ook weer enige consternatie verwekte.

Gebouwen, meubelen en de groote partijen hout waren verzekerd, echter niet voor hooge sommen. Het gebouw, tegen ƒ 3000 bij de firma De Jong, te Amsterdam; de inhoud voor ƒ 2500, bij de Utrechtsche Maatschappij. Ook de aangrenzende  en tegenover liggende perceelen waren verzekerd, behalve de inboedel van den bewoner boven het pakhuis, die dit op grond van zijn godsdienstige overtuiging naliet, zooals hij zeide.’

Gelukkig is er niemand gewond geraakt of erger. Voor Nicolaas Frans Gerrit Poptie en zijn compagnon is de brand een enorme domper. Want deze keer zijn ze onderverzekerd. Ze verliezen alle meubels en voorraad én het pand is ingestort. Wel halen ze alle kranten in heel Nederland plus de overzeese gebieden. ‘In tal van jaren is hier ter stede niet een zoo uitgebreide brand voorgekomen.’, schrijft de Maasbode met gevoel voor drama. Wees daar maar blij mee.

Meubelzaak Poptie op de Haarlemmerstraat

Nicolaas geeft niet op en zet zijn zaak zelfstandig voort op de nabijgelegen Oude Rijn. Daarna verhuist hij de winkel naar de Haarlemmerstraat 115. Later neemt zoon Willem Frederik Poptie zijn levenswerk over. Ook kleinzoon Lambertus Johannes Hendrik Poptie zal op dat adres meubels verkopen. Zo houdt de familiezaak na die grote brand nog ruim 45 jaar stand.

Bron krant: https://leiden.courant.nu/issue/LD/1912-07-03/edition/0/page/2?query=

Drie generaties: NFG, WF en LJH Poptie

Bron foto’s: Lieke Poptie.

Zie voor informatie over Nicolaas Frans Gerrit Poptie en zijn nakomelingen het onlangs bijgewerkte document Inleiding Poptie en zijtakken Poptie tot in de 21ste eeuw, vanaf pagina 23.

Wilt u nieuwe familieberichten per e-mail ontvangen? Vul uw adres rechtsboven in en bevestig dit. Ongeveer maandelijks krijgt u daarna een bericht.